Samen sterker in lezen en leren op het mbo

Hoe zorgen we ervoor dat alle mbo-studenten taalvaardig uitstromen en onderdeel zijn van een geletterde samenleving? Die vraag stond centraal tijdens een bijeenkomst over lezen in het mbo, georganiseerd door het Leesoffensief Brabant. Op 19 maart 2025 kwamen in De Avenue in Breda professionals uit het onderwijs, de bibliotheekwereld, de gemeente en de politiek bij elkaar. Iedereen met dezelfde focus: de leesvaardigheid van mbo-studenten versterken. Want dat is hard nodig.
Lezen opent deuren – maar voor veel mbo-studenten blijven die nog gesloten. Dagvoorzitter Boudewijn van der Lecq benadrukt hoe groot het probleem is en legt uit wat het Leesoffensief Brabant doet. Dit is een samenwerking tussen Brabantse bibliotheken, Cubiss en de Brabantse kinderopvang- en onderwijsinstellingen. Sinds 2020 werken zij samen aan één doel: lezen een vaste plek geven in het onderwijs, van de kinderopvang tot het hbo. Ook in het mbo is actie nodig, want 33% van de mbo-4 studenten haalt het vereiste leesniveau niet.
Bestuurlijke blik op leesvaardigheid

Zulke cijfers vragen om betrokkenheid van bestuurders en politici. Gedeputeerde Bas Maes bij Provincie Noord-Brabant en onderwijswethouder Arjen van Drunen van de gemeente Breda vertellen over hun rol bij leesbevordering. Bas noemt de cijfers ronduit schokkend: “2,5 miljoen Nederlanders kunnen niet goed lezen. In Brabant alleen al gaat het om 350.000 tot 400.000 mensen. En gek genoeg kijken we er nauwelijks nog van op.” Hij wijst op de belangrijke rol van mbo’ers. “Zij worden de politieagenten, verzorgenden en bakkers van morgen. Zonder hen functioneert onze samenleving niet. En dat geldt ook voor de economie. Kijk naar de maakindustrie, naar Brainport, naar bedrijven als ASML. Die draaien op mbo’ers. Als zij moeite hebben met taal, kunnen ze hun werk niet goed doen. Laaggeletterdheid is dus niet alleen een onderwijsprobleem, maar ook een economisch thema.”
Ook Arjen ziet de impact van laaggeletterdheid: “In Breda heeft één op de zes inwoners moeite met lezen en schrijven. Dat zijn niet alleen nieuwkomers, maar ook mensen die hier geboren en getogen zijn.”
De rol van de provincie en de gemeente
Wat kan de provincie doen om ervoor te zorgen dat minder mbo-studenten laaggeletterd uitstromen? Bas legt uit dat er geen apart beleid is voor het mbo.
Het onderwerp valt onder bredere plannen voor taalvaardigheid en welvaart. Bibliotheken spelen daarin een belangrijke rol. “Provincies hebben vanuit de
Bibliotheekwet een toezichthoudende rol. We kijken of gemeenten voldoende bibliotheken hebben en of die vaak genoeg open zijn. Maar het gaat om meer dan
alleen vinkjes zetten. We willen zorgen voor een goede samenwerking tussen bibliotheken, onderwijs, gemeenten en ondersteunende organisaties, zodat we
samen echt iets kunnen bereiken.”
Die samenwerking krijgt een steviger fundament in de nieuwe Bibliotheekwet (Wsob). De nieuwe wet legt verplichtingen op aan bibliotheken, gemeenten, de provincie en ondersteuningsinstellingen om samen te werken. Bas: “De samenwerking breidt zich uit van een driehoek naar een vierhoek. Dat biedt kansen.”
De bibliotheek als motor voor geletterdheid
Vanuit de zaal komt een vraag over het belang van schoolbibliotheken. Arjen reageert enthousiast: “Mijn droom? Elke school of het nu een kinderdagverblijf,
een po, vo of mbo is een bibliotheek. Niet verstopt in een hoekje, maar midden in het gebouw, als kloppend hart van de school.” Die droom krijgt veel bijval.
De boodschap is duidelijk: taalvaardigheid is een basisvaardigheid die nodig is om mee te doen in de samenleving.
Investeren in taal is investeren in de toekomst

De oproep van de bestuurders is helder: dit is het moment om door te pakken – met steun vanuit de politiek. Taalexpert Kees Broekhof laat aan de hand van de PISA-resultaten zien waarom die steun zo hard nodig is. “Voor het eerst zitten we onder het internationale gemiddelde. En we zien: vooral mbo-studenten hebben het zwaar. Ook presteren jongens slechter dan meisjes en scoren leerlingen in stedelijke gebieden lager dan in andere regio’s”, vertelt Kees. “Jongeren verlaten het onderwijssysteem niet als ‘laaggeletterden’, maar dat worden ze wél zodra ze de maatschappij in stappen en de taal niet voldoende beheersen. Reparatie achteraf is bijna onmogelijk. Daarom moeten we investeren vóórdat het misgaat.”
Kees noemt drie belangrijke punten om de taalvaardigheid van studenten te verbeteren:
- Maak het vak Nederlands aantrekkelijker, bijvoorbeeld door het te combineren met burgerschap. Studenten lezen met meer betrokkenheid als ze taal
koppelen aan maatschappelijke thema’s. - Integreer taal in alle vakken. Taal komt in elk vak voor, maar veel docenten staan daar niet bij stil. Door in elke les minimaal één taaldoel te integreren,
bereik je met vijf lessen per dag, vijf dagen per week, tot wel 1.000 taaldoelen per jaar. “Dat zet zoden aan de dijk, maar is wel aanpoten en
vraagt inzet van de hele organisatie.” - Zet in op leesmotivatie, op school én daarbuiten. Vrij lezen draagt sterk bij aan de taalontwikkeling. Jongeren die elke dag een kwartier lezen, zijn beter in woordenschat, tekstbegrip en spelling. Het mooie is: motivatie groeit alleen maar. Hoe meer je inzet op leesplezier, hoe groter het effect. “Leesplezier heeft geen plafond.”
Deze drie aanbevelingen versterken elkaar én vragen om samenwerking. En juist in die samenwerking is de bibliotheek een sleutelpartner. “Bibliotheken bereiken alle leeftijdsgroepen - van baby tot volwassene - en weten precies hoe je leesplezier tot leven brengt.”
De monitor van de Bibliotheek op school is een praktisch en waardevol hulpmiddel om beleid rond leesbevordering te onderbouwen. Het brengt het leesgedrag en de leesvoorkeuren van studenten in kaart, én laat zien wat ze vinden van de mediatheek. “Met die informatie kun je doelen stellen, je aanpak aanpassen en verantwoorden wat je doet. Een voorbeeld: nu vindt bijna 75% van de studenten lezen niet leuk. Als dat over drie jaar nog maar 50% is, heb je een duidelijk en meetbaar resultaat.”
Kees sluit af met een duidelijke oproep: “Als we investeren in taal, investeren we in de toekomst. Maar dan moeten we het wél goed doen. Half werk heeft geen zin.”
De kracht van samenwerking

Gelukkig blijft het niet bij praten alleen. In de praktijk ontstaan mooie samenwerkingen waarin onderwijs en bibliotheken de handen ineenslaan. Een mooi voorbeeld is de samenwerking tussen Curio en de bibliotheken Nieuwe Veste en West-Brabant. Docent Nederlands Sanne van der Plas (Curio), leesconsulent Diantha de Vries (Nieuwe Veste) en Gertruud Hoff (de Bibliotheek West-Brabant) zetten zich samen in voor leesbevordering.
Sanne ziet dagelijks hoe belangrijk taal is, vooral in opleidingen zoals Zorg & Welzijn en Pedagogisch Werk. “Veel van deze studenten gaan later aan de slag met leesbevordering. Maar als ze zelf niet goed kunnen lezen, hoe kunnen ze dat dan aan anderen leren?” Daarom begon Curio vorig jaar met een kwartier vrij lezen per les. “In het begin vonden studenten het lastig. Maar na een paar weken vertelden ze trots dat ze hun eerste boek hadden uitgelezen.”
De samenwerking met de bibliotheken zorgde voor een impuls. Diantha: “Sanne vroeg of wij Curio konden helpen bij het opzetten van een schoolbibliotheek. Dat was een kans die we direct aangrepen. Er kwam een boekencollectie en verschillende activiteiten om leesplezier te stimuleren.”
Van bladzijde tot beleid
Gertruud werkt namens de Bibliotheek West-Brabant samen met Curio. Ze benadrukt het belang van een structurele aanpak: “Mbo-instellingen worden steeds groter en hebben vaak meerdere locaties. Als bibliotheek heb je dus te maken met een mbo dat zich uitstrekt over een groter gebied dan alleen jouw eigen werkgebied. Het helpt als je samenwerkt via dezelfde onderwijscommissie.” Daarom maakten Curio en de bibliotheek goede afspraken. “We hebben een samenwerking voor drie jaar. Elk jaar maken we een nieuwe offerte, met afspraken over de financiën en verwachtingen.”
De eerste stappen zijn gezet, maar de ambitie is groter. Gertruud: “Hoe mooi zou het zijn als elke mbo-afdeling een eigen schoolbibliotheek heeft?” Diantha voegt toe: “Het vraagt tijd, geld en mensen, maar we zien nu al dat het veel oplevert. Dit willen we de komende jaren uitbreiden.”
Samen investeren in taalvaardigheid
Na het plenaire deel praten deelnemers verder met elkaar over de samenwerking tussen mbo’s en bibliotheken. Deelnemers zijn het erover eens: succes vraagt om inzet op alle niveaus. Zowel een bottom-up als top-down aanpak is nodig, met bestuurlijk enthousiasme als belangrijke factor. ‘Doe het goed of doe het niet’ was een gedeelde overtuiging.
Er zijn ook uitdagingen. Er is een tekort aan docenten Nederlands, en bibliotheken hebben vaak te weinig geld en personeel. Daarnaast blijkt samenwerking niet altijd eenvoudig. Veel mbo-organisaties zijn intern complex georganiseerd, met meerdere afdelingen die elk hun eigen beleid voeren. Vooral bij grote instellingen maakt dat het lastig om snel en structureel stappen te zetten in de samenwerking.
Deelnemers adviseren om klein te beginnen, bijvoorbeeld met één afdeling en succesvolle initiatieven als een olievlek te laten verspreiden. Ook werd benadrukt hoe belangrijk het is om resultaten te meten en studenten zelf mee te laten denken over oplossingen.
Van woorden naar daden
De bijeenkomst laat zien dat de urgentie breed wordt gevoeld. Maar ook dat samenwerking loont. De boodschap is helder: nu is het moment om door te pakken. Bibliotheken en mbo-instellingen kunnen samen zorgen voor een blijvende verandering – en er is geen tijd te verliezen.